De schildpaddenman

Boek laten schrijven

Wat nu als het verhaal achter een krantenbericht anders is dan je verwacht? Het precieze verhaal weet je vaak niet. Laatst las ik op nu.nl: ‘Ruim 100 verwaarloosde schildpadden in beslag genomen’. Ik kreeg direct een bepaald beeld: een handelaar die een slaatje probeerde te slaan uit de verkoop van schildpadden. Maar misschien is het wel heel anders gegaan… Misschien is het wel het verhaal van de schildpaddenman:

Ik stap achterin de politieauto. Als deze wegrijdt, kijk ik door de achterruit. Een agent draagt een aquarium naar een bestelbus, die half op de stoep voor mijn huis staat geparkeerd. Op het politiebureau brengen ze me naar een kale kamer: vier stoelen, een tafel. De agenten die me begeleiden, blijven bij de deur staan. Ik loop naar binnen en kijk achterom. “Gaat u daar maar zitten.” Ze sluiten de deur en ik hoor ze weglopen.
Niet lang daarna komt een andere agent binnen en gaat tegenover me zitten. Hij legt een formulier voor zich neer. Ik zie dat er met pen dingen zijn ingevuld. De agent kijkt me aan. Zijn bril heeft licht getinte glazen, waardoor ik in het zwakke licht van de kamer de uitdrukking in zijn ogen niet goed kan zien. Hij fronst, de diepe rimpels boven de neusbrug van zijn bril worden nog dieper. Dan begint hij te praten, op een volume alsof hij een hele zaal toespreekt. Hij wil dat ik de gegevens op het papier bevestig. Mijn naam, mijn adres. Ik antwoord met ‘Ja’ op iedere vraag, ondertussen vraag ik me af of ik naar de wc mag. Ik heb kramp in mijn buik.
“Meneer, u krijgt een proces-verbaal voor het houden van schildpadden…” De agent kijkt op het papier dat voor hem ligt. “…van landschildpadden zonder certificaat. En voor het verwaarlozen van…” Hij kijkt weer naar het papier. “…138 schilpadden in totaal.”

Ik trapte bijna op hem, maar ik had in mijn ooghoeken iets donkers gezien. Ik zette mijn voet weer terug en keek naar de grond. Op de stoep voor mijn voordeur zag ik een schildpad. Hij was zo groot als mijn handpalm en leek mij aan te kijken. Zijn kop was naar boven gericht. Ik keek om me heen. Niemand. Vast een ontsnapt huisdier van een van de buren. Misschien was hij van de buurjongens. Ik moest naar mijn werk en had nu geen tijd om bij de buren aan te bellen. Ik pakte het dier met twee handen aan zijn schild op. Zodra ik het schild aanraakte, trok hij zijn kop en poten in. Even stond ik er zo mee in mijn handen. Daarna liep ik naar de keuken en legde de schildpad in de gootsteen. Ik pakte een stenen schotel onder een plant vandaan, vulde die met water en zette die in de gootsteen. De schildpad hield zich nog schuil. Toen ik de voordeur verliet, keek ik naar de stoep.
Toen ik na mijn werk naar mijn voordeur liep, herinnerde ik mij weer de schildpad. Ik zag hem namelijk voor de deur liggen. Ik liep er naartoe en keek ernaar. De schildpad keek terug. Ik keek om me heen. Niemand. Ik opende mijn voordeur en pakte de schildpad op. Hij trok nu alles weer in. In de keuken wilde ik hem in de gootsteen leggen, maar er lag er al een in. De buurjongens nemen me natuurlijk in de maling.
Ik legde de schildpad bij de andere en liep weer naar buiten, naar de buren. Een van de jongens deed open.
“Je kunt de schildpadden weer ophalen.” Ik had me al omgedraaid, maar de jongen vroeg: “Wat bedoelt u?”
Ik draaide me om. “Doe niet zo onnozel, ze lagen bij mijn voordeur. Je mag blij zijn dat ik er niet op ben getrapt. Dit zijn geen geintjes.”
De buurman kwam aanlopen vanuit de keuken. “Wat is er aan de hand?”
De jongen keek omhoog naar zijn vader. “Hij zegt dat we schildpadden bij zijn voordeur hebben gelegd.”
De man keek naar mij. “Wat bedoelt u?”
“Toen ik naar mijn werk ging, lag er een schildpad voor mijn voordeur en toen ik thuiskwam weer een. Ik houd niet van dit soort geintjes. Ze kunnen ze nu op komen halen.”
“Onze jongens hebben geen schildpadden.” De buurman keek naar zijn zoon. “Of hebben jullie ergens schildpadden vandaan gehaald en die bij de buurman neergelegd?”
De jongen schudde nee.
“Mijn zoon liegt niet.” Hij trok zijn zoon naar achteren en deed de deur dicht.
Ik bleef even naar de deur kijken. Daarna liep ik naar mijn andere buren. Misschien zijn ze van het buurjongetje daar. Zijn moeder deed open. Ze schudde haar hoofd. Haar zoon had geen schilpadden. Ik liep weer naar huis. Ik had er genoeg van, ik breng ze morgen wel naar de dierenwinkel.
In de keuken keek ik naar ze. Eentje probeerde tegen de gootsteenwand omhoog te klimmen. Hij gleed steeds terug, maar bleef het proberen. Ik haalde het oude plastic aquarium uit de schuur.
De volgende morgen ververste ik het water voor ik naar mijn werk ging. Eentje stond in de waterbak en de ander bewoog zich traag door het aquarium. Ik nam een besluit.
Na mijn werk zette ik het aquarium naast mijn tv-stoel, tijdens de reclames keek ik naar de schildpadden. Na een week begon ik ze gedag te zeggen als ik naar mijn werk ging en begroette ze bij thuiskomst. Samen keken we in de avonden tv. Ik had tegenwoordig zin om naar huis te gaan.
Zo’n vier weken nadat ze waren komen aanlopen, liep ik na mijn werk naar mijn voordeur. Ik stopte twee meter ervoor. Er lagen vier schildpadden. Ik keek om me heen. Niemand natuurlijk. Ik nam ze maar mee naar binnen. Twee konden er nog wel bij in het aquarium. De andere twee legde ik in een plastic teiltje. Morgen ging ik iets beters regelen.
Vanaf dat moment lagen er om de zoveel dagen enkele schildpadden voor mijn deur. Soms voor ik naar mijn werk ging, soms als ik terugkwam. Ik nam een paar dagen vrij, maar ook toen lagen er weer nieuwe voor mijn deur. Ik weet niet meer precies wanneer ik het vervelend begon te vinden. Ik denk toen ik er twaalf had.
De dierenwinkel wilde ze niet hebben. Ik plaatste advertenties op Marktplaats, hing briefjes in de supermarkt en op het prikbord op mijn werk. Alleen mijn baas wilde er eentje hebben, voor zijn dochter.
Toen het er zo’n vijftig waren, gaf ik ze geen eten meer, wel water, ze hoefden niet dood. Ik hoopte dat ze weg zouden lopen. Ik deed ook geen moeite meer om nette onderkomens voor ze te regelen. De laatste tien of vijftien heb ik gewoon in mijn schuur laten rondlopen. De deur open, maar ze bleven. En toen kwam de politie.

“138? Ik ben gestopt met ze te tellen. Het is gegaan zoals ik vertelde. Ze zijn komen aanlopen en niemand wilde ze hebben.”
De agent fronst. “Dat is wel een apart verhaal. Schildpadden komen niet aanlopen.”
Ik moet steeds nodiger naar de wc. “Het is echt gebeurd.”
“Stel dat het klopt, dan nog verandert dat niets aan de feiten. U hebt 138 schildpadden verwaarloosd en geeft dat ook toe.”
“Maar niemand wilde ze hebben. Ik heb echt mijn best gedaan.”
“Dat is fijn, maar nogmaals, dat verandert niets aan de feiten. U krijgt een proces-verbaal zoals opgesteld.”
“Mag ik naar de wc?”
Ik neem de bus naar huis. De bestelbus staat niet meer op de stoep. Het huis is leeg.

De volgende dag ga ik naar de dierenwinkel. ‘Die wil ik.’ Ik wijs de verkoopster een van de parkieten aan. Ik heb haar nog niet eerder gezien. Ze is nieuw vertelt ze. Het fladderende beest ontkomt niet aan haar handen. Ze doet hem in een kortonnen doos met luchtgaatjes. Samen zoeken we een kooi uit. Ze legt me uit hoe ik de vogel moet verzorgen. ‘Het beestje’, zegt ze. De verkoopster heeft helderblauwe ogen. Ze zoekt elke keer mijn blik.
“Ik kan over een paar dagen langskomen om te kijken hoe het gaat.” Ik knik. Met de kooi in de ene hand en het doosje met de vogel in de andere loop ik de deur uit. Als ik me omdraai, zwaait ze.